Column: John Lanting

27 januari 2012

 ’Back-Flash’ start vandaag met een serie columns door Thomas Leeflang.

 

Misverstanden, verwarringen, travestie, afzakkende pantalons en ‘terzijdes’ naar het publiek (‘Ik verstop me in de kast, mondje dicht jullie!’), het waren beproefde elementen in de Nederlandse theaterklucht. Een dankzij John Lanting zeer gewaardeerde kunstvorm, de komedie op de planken. Nog in het seizoen 1993/1994 trok hij met zijn gezelschap Het Theater van de Lach met Kink in de kabel langs uitverkochte schouwburgen. In die schouwburgen werd uitbundig gelachen om stukken als Inpakken en wegwezen, Kus van een Rus, Den Haag Vandaag en Kink in de kabel.
Zoals elke grote komiek was en is John Lanting in de eerste plaats acteur. Logisch, de één is onlosmakelijk verbonden met de ander. John debuteerde in 1956 als acteur in De volle waarheid, waarin hij levensecht een politieman neerzette. Zijn volledige claus: ‘Inspecteur, kunt u even komen?!’ In 1964 was hij indrukwekkend in Franz Kafka’s De Aap. Lang daarna, in 1987, werd Lanting onderscheiden met de Johan Kaart-prijs. Hij kreeg die prijs voor zijn bijdrage aan wat werd genoemd ‘het lichtere genre toneel’ en ‘voor het op een hoger niveau brengen van het vak van kluchtspelen’. Kortom: John Lanting verloste als acteur en regisseur het métier van het bekkentrekkersimago. Lantings Crazy Nonses Revue, een Monty Python- en Helzapoppin-achtige productie met liedjes, sketches en absurde grappen werd door recensenten omschreven als ‘VPRO-vertier dat door het verkeerde publiek werd gewaardeerd.’

Decennia geleden alweer ging ik op visite bij John Lanting in zijn huis aan een dijk in het Zuidhollandse polderland. De meester van het tumultueuze blijspel zal toen net zestig jaar zijn geweest. Onderwerp van gesprek waren toen onder meer Engeland, waar men kan bogen op een lange comedy-traditie en waar actrices en acteurs ‘van naam’ altijd graag in een blijspel of klucht meedoen.
Op mijn opmerking of er verschillen bestaan tussen blijspel en klucht, startte John onmiddellijk met een klein college: ‘Een blijspel is altijd duidelijk en helder gemotiveerd. Elke zin, elke scène is een logisch gevolg van iets dat eerder plaatsvond of zal nog een logisch vervolg krijgen. In een klucht zitten ongemotiveerde elementen. Een voorbeeld uit één van de eerste kluchten die ik deed. Op het toneel kregen twee vrouwen ruzie in de showroom van een bonthandel. Ik loop daar rond als een personeelslid van die zaak. Tijdens het bekvechten van die dames haal ik ineens een voetbalfluitje uit m’n zak, ik blaas er op en roep als een scheidsrechter: ‘Inworp! Hoekschop! Buitenspel!’
Het was een Engels stuk en ik vroeg aan die Britse regisseur: ‘Waar komt dat fluitje nou ineens vandaan? Wat heeft dat voor functie in het geheel?’ Hij keek me niet begrijpend aan en zei: ‘It’s farce!’ Ik had op de toneelschool geleerd dat als er in het tweede bedrijf een schot valt, er in het eerste bedrijf over een geweer moet zijn gesproken. Hoe dan ook: dat fluitje leverde denderende lachsalvo’s op, bij het krankzinnige af.
‘Dat is het bewijs: in een klucht hoeft niet per definitie alles logisch en verklaarbaar te zijn. Het lijstje ziet er zo uit: in het blijspel is het verhaal gemotiveerd, de klucht bevat daarentegen ongemotiveerde elementen. Bij kolder, een genre dat jij niet noemde, is werkelijk álles ongemotiveerd. Ik begin mijn kluchten altijd heel voorzichtig als blijspel en laat het dan geleidelijk aan een klucht worden. Dat is één van de sterke punten van het Theater van de Lach.’

Op de vraag wie zijn favoriete collega-komieken zijn noemdet John Lanting vooral Britse tv- en toneel-comedians. Maar ook: ‘Lucille Ball, een top-comédiènne, heel erg goed, dat type humor is mijn pakkie-an. Harold Lloyd is meesterlijk, zijn inventiviteit fenomenaal. Het onontkoombare van Lloyds grappen is onweerstaanbaar. Als ik hem bezig zie, denk ik: oh, mijn God, nou begint het hoor, er is geen ontkomen aan. En last but not least natuurlijk: Laurel & Hardy. Dat duo was en is zó goed… Als je ze aan de gang ziet, rest je als toeschouwer slechts een eerbiedig zwijgen.’

Thomas Leeflang

Leave a Reply